Pragmatisme 

Het pragmatisme is een filosofische stroming die zijn oorsprong heeft in de Verenigde Staten aan het eind van de 19de eeuw met eerst een hoogtepunt in de eerste helft van de 20ste eeuw. Na een periode van enkele decennia met minder interesse, zien we aan het eind van de 20ste eeuw tot in de huidige tijd een heropleving van deze stroming. Het pragmatisme ontstond als een reactie op het hoge abstractie niveau van de Duitse filosofie, van met name het neo-Kantiaanisme en de ideologische school van Hegel, waarin de eerste filosofen van het pragmatisme oorspronkelijk waren geschoold. Hierbij speelde metafilosofische overwegingen een belangrijke rol zoals aardig door William James verwoord:

Pragmatisme "...turns away from abstraction and insufficiency, from verbal solutions, from bad a priori reasons, from fixed principles, closed systems, and pretended absolutes and origins ... turns towards concreteness and adequacy, towards facts, towards action and towards power."

De Filosofen

De belangrijkste filosofen in de begin fase van het pragmatisme zijn:

Charles S. Pierce (1839-1914) wordt ook wel beschouwd als de grondlegger. Hij benadert de filosofie vanuit de logica  (hij is onder meer de 'uitvinder' van de logische waarheidstabellen) en introduceerde het pragmatisme als een maxime van de Logica in 1878 (in het Frans !). Hij is (evenals Husserl) op zoek naar een kennistheoretische grondslag voor de wetenschap en zoekt een waarheidsgrond voor de premisses zoals die gebruikt worden in een logische deductie. In een lezing in 1903 constateert hij dat het lang heeft geduurd voordat zijn benadering bekendheid en enige acceptatie kreeg. [Peirce 1903:133]    De formulering van de maxime was dan ook niet erg toegankelijk. In 1903 formuleert hij die in het Engels:

' Consider what effects that might conceivably have practical bearings we conceive the object of our conception to have: then, our conception of those effects is the whole conception of the object. '

Hierin zien we een gelijkenis met de uitgangspunten van de continentale fenomenologie. Hij maakt echter duidelijk dat hij geen psychologische benadering wenst als fundament van de logica,   Peirce 1903:140   ]    later verwijt hij Husserl psychologisme. [zoals Ciano Aydin vermeldt Aydin 2007:212n18]  

Zijn pragmatisme wordt in eerste instantie in goede samenwerking door William James toegankelijker gemaakt. Later distantieert Peirce zich met name van William James' publicaties , en noemt zijn eigen richting vervolgens liever pragmaticism.

William. James, medicus, psycholoog en filosoof (1842-1910) heeft deze nieuwe stroming onder de naam 'Pragmatisme' aan de man gebracht' (op zijn manier, toegankelijker, hij vindt Peirce dikwijls te slecht toegankelijk) met vele lezingen, veelal buiten het academisch filosofische circuit, en met de introductie in 1907 van zijn boek 'Pragmatisme'.

John Dewey (1859-1952) heeft zich zowel met de fundering van het pragmatisme als met toepassing in de praktijk, zoals de ethiek en de democratie, bezig gehouden.
Vanuit zijn waarnemingen van kleine kinderen (Dewey was ook een bekend pedagoog) constateert hij dat de mens geboren wordt met een levens- en exploratiedrang. Middels leren en ervaring komt hij tot handelingscompetenties: Habits / Arts.
Vanuit evolutionair denken in de lijn van Darwin concludeert hij dat het menselijk ken- en handelingsvermogen de basis waren om te overleven dus voldoen in de praktijk. Zijn publicaties hebben betrekking op een breed scala van onderwerpen op de gebieden van ethiek, cultuur, psychologie, onderwijs en democratie waarbij hij actief mee deed in het publieke debat.

Na deze grondleggers waren er een aantal invloedrijke filosofen die hoewel ze niet strikt pragmatisten waren wel bijdroegen aan de continu\pol iteit van de pragmatistische traditie waaronder C.I.Lewis (oa leermeester van Quine), die van groot belang was in de ontwikkeling van Logica en Taalfilosofie. Hij hanteerde een vorm van Conceptual Pragmatisme wanneer het om empirische kennis ging.

Pragmatisme nu    
Richard Rorty constateert dat een meerderheid van de Engels sprekende filosofen in de laatste twee(nu 3,5) decaden, zich afkeerde van Wittgenstein's Philosophical Investigations (PI), James en Dewey mede doordat men het idee kreeg dat het pragmatisme wat al te gemakkelijk de basisproblemen van de filosofie terzijde plaatste, waardoor die geen \emph   [   foundation   ]    voor toekomstig werk bieden. [Rorty 1991: 3]    (Ook hier zien we dan een soort metafilosofische overweging). Na deze periode van enkele decennia met wat minder aandacht voor het pragmatisme zien we sinds de laatste decennia van de vorige eeuw weer een opleving met name door de aandacht die filosofen zoals Richard Rorty en Hilary Putnam eraan besteden.

Hoewel Hillary Putnam zich (uiteindelijk) duidelijk verwant voelt aan het pragmatisme positioneert hij zich in tegenstelling tot Rorty, (nog) niet expliciet als pragmatist, maar hij beveelt het pragmatisme wel aan als waardevol. [Putnam1992]  

Hoewel in het algemeen niet als zodanig genoemd, kunnen we in de tweede helft van de 20ste eeuw bij verschillende filosofen hoofdelementen van het pragmatisme terug zien komen, zoals we zullen zien bij wetenschapsfilosofen als Karl Popper en Arthur Fine.

Zelf draagt Putnam bij aan de pragmatiek van taal met twee principes die hij onderkent als kenmerkend voor taalgebruik met name in de context van kennistheorie:
Het principe van de Bennefit of the doubt: termen worden gebruikt zonder dat ze exact gedefinieerd zijn (Ook bij Kripke niet) hij geeft daarbij aan dat het vergelijkbaar maar niet identiek met het charity concept, een term : In de taalgemeenschap is het gebruikelijk dat men accepteert dat de woord betekenis door anderen vervolgens beter wordt ingevuld.[Putnam1974   :274]   
\item Het principe van de  Reasonable ignorance: niet alle gebruikers van een woord moeten noodzakelijk de volle betekenis ervan kennen. [Putnam1974:278]   

De filosofische gang van Hilary Putnam (1926-), die gezien wordt als een van de belangrijkste hedendaagse Amerikaanse filosofen, is in het kader van deze beschouwing interessant. In eerste instantie opgeleid in de traditie van het pragmatisme voegt hij zich bij de neopositivisten Reichenbach en Carnap in de jaren vijftig. In de zestiger jaren ontwikkelt hij een eigen vorm van realisme. [voor meer details zie Oger 1995]    Putnam definieerde die eigen versie,  als een sleutel om het programma uit te werken van common sense realisme, die hij aanduidde als [Intern realisme]. Hij baseerde zich daarbij expliciet op het werk van William James en Edmund Husserl (!) in plaats van op het pragmatisme en de fenomenologie als stroming. Wel merkt hij ten aanzien van zijn aanduiding 'Intern realisme' aan het eind van zijn eerste lezing van een lezingencyclus in 1985 `The many faces of realism' op: 'I should have called it pragmatic realism. [Putnam 1987:p17]  
Putnam bepleit een programmatische aanpak waarbij de traditionele vormen van dichotomie tussen de wereld op zich en de concepten die we gebruiken in woorden en denken worden opgegeven:

 'Zoals de grote pragmatisten ons aanspoorden het toeschouwersstandpunt in de metafysica en de epistemology te verwerpen. Zo heeft Quine ons aangespoord het bestaan van abstracte entiteiten in de wiskunde en in de fysica te accepteren op basis van de onmisbaarheid in de praktijk van onze wetenschappelijke activiteiten'.

Hij ziet die trend ook bij Davidson, die stelt dat het onderscheid tussen conceptuele schema's en inhoud niet gemaakt kan worden en bij Goodman, die stelt dat het onderscheid tussen wereld en versies onhoudbaar is. [Putnam 1987 :20-21]  

Wanneer hij in 1992 in een aantal op schrift gestelde lezingen een pleidooi houdt voor het pragmatisme zien we dat hij na al zijn verkenningen in die verschillende filosofische stromingen toch weer bij het pragmatisme uitkomt, waar hij zegt dat

'[hij] hoopt te overtuigen dat het pragmatisme iets veel beters in petto heeft, dan de smakeloze alternatieven die men vandaag, in filosofisch en in politiek opzicht als enige mogelijkheden ziet'.  [ Putnam 1992] 

Ook zien we in zijn werk, zoals in bovengenoemde principes van taal pragmatiek, dat taal een belangrijke rol is gaan spelen. En dat naast de zeer formele aanpak daarvan vanuit de logica dit element ge\pol integreerd wordt met de elementen van het pragmatisme.

John Dewey (1859-1952) heeft zich zowel met de fundering van het Pragmatisme als met toepassing in de praktijk bezig gehouden.
Vanuit zijn waarnemingen van kleine kinderen (Dewey was ook een groot pedagoog) constateert hij dat de mens geboren wordt met een levens- en exploratiedrang. Middels leren en ervaring komt hij tot handelingscompetenties: Habits / Arts.
Vanuit evolutionair denken in de lijn van Darwin concludeert hij dat het menselijk ken/handelingsvermogen de basis waren om te overleven dus voldoen in de praktijk

Na enkele decenia met wat minder aandacht voor het pragmatisme zien we sinds de laatste decenia van de vorige eeuw weer een opleving met name door filosofen zoals Richard Rorty en Hilary Putnam.

Hoewel in het algemeen niet als zodanig genoemd, zie ik in 20ste eeuw bij verschillende filosofen belangrijke elementen van het Pragmatisme terugkomen:  

Witgenstein-II in zijn analyses stelt hij dat de betekenis van woorden gevonden moet worden in het gebruik. Hij introduceert de term taalspel, een handelingsomgeving waarin de praktijk van taal gebruik zijn waarde bewijst. De hierop aansluitende systematische analyse van de taal als communicatie middel van Paul Grice past volledig in de pragmatistische traditie

Het Kritisch Rationalisme in de wetenschapsfilosofie van Popper, Lakatos ea. het onderkennen van kennis als een continue proces met de empirische waarneming als beslissend element is hier een belangrijke overeenkomst.

Kennistheorie

De Amerikaanse pragmatisten intr De Amerikaanse pragmatisten introduceerden een nieuwe Copernicaanse wending: van geest naar interactie. In tegenstelling tot wat in het geest-wereld schema wordt verondersteld, is ervaring voor Dewey niet een sluier die de mens van de wereld afsluit, maar juist een middel om steeds dieper tot de werkelijkheid door te dringen.
Kennen wordt opgevat als een vorm van handelen. Het is iets wat we doen en wat nauw verbonden is met de actieve manier waarop menselijke organismen in voortdurende interactie verkeren met hun omgeving.
- De ervaring: Alle ervaring is reeel het gaat hierbij om ieders onmiddellijke ervaring Deze zal verschillend zijn b.v. voor een ruiter, paarden handelaar, bioloog. Deze ervaring gaat aan het kennen vooraf.
- Van ervaring naar Kennis: Ervaring is nog geen kennis. Het is de taak van het Kennen om de voorwaarden en gevolgen van ervaring te ontdekken.
- De betekenis van kennis: Kennis heeft te maken met gevolgtrekkingen (interference). We trekken conclusies uit iets van het heden, verleden naar de toekomst. Dat brengt onzekerheid, mogelijke fouten met zich mee.
- De objecten van kennis: objecten zijn gebeurtenissen (waarnemingen(?)) met een betekenis. De wereld wordt daarmee een: 'figured framework of objects'.
Tafels en stoelen van onze onmiddellijke waarneming moeten worden begrepen als woorden en zinnen in onze taal. Deweys kentheorie is een realistische filosofie, een filosofie die geloofd in het bestaan van een werkelijkheid en kan worden aangeduid als: transactioneel realisme.

Waarheid en correspondentie: 
Waarheid is dus niet gerelateerd aan de waarnemingen maar aan de daaraan gegeven betekenis(sen). Waarheid is altijd gebonden aan de concrete situatie. Waarheid verwijst dus niet naar een correspondentie tussen een propositie en de werkelijkheid ,maar naar de correspondentie tussen gesuggereerde en gerealiseerde betekenis. Ons kennen van de wereld is een proces van reconstrueren.
Voor een pragmaticus is een uitspraak "waar" als deze in de praktijk zijn waarde, bruikbaarheid bewijst of bewezen heeft. Daarmee vervalt voor hem het onderscheid tussen: "It is true because it works" en "It works because it is true" (cit: Rorty). Bruikbaarheid van een uitspraak of theorie moet hier gezien worden in een brede betekenis. Een theorie zoals de evolutie theorie is uiterst vruchtbaar gebleken in een groot aantal deel gebieden van de biologie en heeft tot een vergroting van het inzicht geleid. Daarmee is in een pragmatische opvatting een dergelijke theorie waardevoller dan b.v. de scheppingstheorie. Die waardering is daarmee vrijwel onafhankelijk van een feitelijke bewijsbaarheid.
Conclusies die we trekken na zorgvuldige analyse van een situaties hoeven niet geldig te zijn voor een andere situatie. Dewey gebruikt in plaats van het label "Waarheid" aanduidingen als: gerechtvaardigde bewering (warranted assertion). De gerechtvaardigdheid wordt onder andere bepaald door de zorgvuldige wijze waarop deze tot stand gekomen is.
Objectiviteit opgevat als de correcte weergave van de wereld onafhankelijk van ons bestaan is hierbij een niet zinvol begrip.
Een consequentie is wel dat ieder hierbij zijn eigen wereld reconstrueert. We dienen daarbij de sociale interactie te betrekken waardoor we een intersubjectieve wereld construeren.
Waarheid is wat de wereld begrijpbaar, hanteerbaar maakt, dat wat in overeenstemming is met de waarnemingen en aansluit bij andere al bekende theorin.
Voor een bepaald doelgebied moet daarom ook de daarvoor optimale taal gekozen worden. Dat in bepaalde wetenschappen de wiskunde tot goed bruikbare resultaten leidt betekent niet dat de werkelijkheid wiskundig in elkaar zit. Het bewijst alleen dat de wiskunde in die situaties een waardevolle taal is.

[an error occurred while processing this directive]


Mensbeeld

Het pragmatisme kent geen abstra

Het pragmatisme kent geen abstracte metafysische beschouwingen ten aanzien van het mens-zijn. Dit wordt onder meer duidelijk bij William James benadering van het determinisme versus vrijheid thema hij verwerpt pogingen om het een of het ander te bewijzen. Hij stelt dat het gewoon een kwestie van kiezen is en daarna de consequenties netjes uitwerken. Zelf kiest hij voor het vrijheidsconcept.
Het pragmatisme gaat uit van een dynamisch mensbeeld. De mens doet kennis op met leerprocessen [zie kennis/pragmatisme] en staat ook ten aanzien van aspecten van ethiek en esthetiek in voortdurende wisselwerking met zijn omgeving. Dit concept is met name door Dewey (1859-1952) uitgewerkt. Hij zet zich af tegen het statische mensbeeld wat in de filosofie overheerst sinds Plato waarbij filosofen zich bezig houden met het trachten vast te leggen van de kern van het menszijn. Dewey gaat uit van een mens die vanaf zijn geboorte actief bezig is kennis te vergaren, problemen te analyseren en op te lossen of te omzeilen. Die niet alleen onderworpen is aan krachten van zijn omgeving maar die ook probeert te veranderen. Dit mensbeeld wordt niet alleen genspireerd door de Amerikaanse pioniers cultuur maar ook door de theorie van Darwin. Dit laatste echter met dien verstande dat het "survival of the fitest" in het geval van de mens niet een lot is, maar de mens -ook als individu- is in staat te anticiperen en zich aan te passen, of zelfs zijn omgeving aan te passen "fitting for survival".

Maatschappijbeeld

Binnen het Pragmatisme in de eer

Binnen het Pragmatisme in de eerste helft van de vorige eeuw is het vooral John Dewey die zich bezighoud met een maatschappij beeld vanuit de pragmatistische basis. Dat betekent dat we uit moeten gaan van de bestaande historisch en cultuur bepaalde situatie. Dat beeld is dus plaats en tijd gebonden en niet noodzakelijk eenduidig, consistent. We kunnen dus niet uitgaan van een statisch model en zeker niet van n ideaal maatschappijbeeld. Door wijzigingen in de maatschappij, wijzigingen in inzicht en invloeden van buiten zal het maatschappijbeeld veranderen en zullen ook de instituties moeten worden aangepast. Voorbeelden van dit soort wijzigingen in die tijd waren de verschuivingen van een agrarisch georinteerde maatschappij naar een industrile. Versnelde urbanisatie, immigratie ed. 
De filosofen dienen zich niet primair bezig te houden met abstracte concepten maar dienen zich te richten op een analyse van maatschappelijke problemen zoals die ontstaan door boven genoemde veranderingen. Mede op basis hiervan kan de beeldvorming van de maatschappij worden aangepast. De concrete aanpassing van de maatschappelijke instituties valt daarmee niet direct onder het werkterein van de filosofie.   

Meer recent is het met name Richard Rorty die het maatschappijbeeld verder en eigentijds uitwerkt. So stelt hij: 'We moeten ons bekennen tot een zeker etnocentrisme, Wij kunnen niet anders dan onze eigen liberale democratische traditie tot uitgangspunt te nemen.' In dit verband citeert hij onder meer Winston Churchills uitspraak: Democratie is de slechts denkbare regeringsvorm  afgezien van alle andere ons bekende vormen-. Dit is een goed voorbeeld van de Pragmatistische benadering.

Pragmatistische ethiek (van John Dewey)

Vraagstelling

 

Vraagstelling: Hoe moeten we kiezen
Antwoord: Analyseer wat het meest van toepassing is

Deweys ethische theorie is gebaseerd op zijn cultureel naturalistisch mensbeeld. De mens is een handelend lerend wezen in een sociale context. Dit geeft tevens aan dat er een integrale functionele relatie is tussen wat algemeen geduid wordt als fysiologische en psychologische processen (deze observatie sluit aan bij die van Merleau-Ponty en de hedendaagse neuro-wetenschappen). Hij verwerpt daarmee elke vorm van dualisme [Logister 2004 p43].
De sociale context is voor Dewey van essentieel belang. De mens is ondenkbaar zonder zijn sociale context, al zijn ervaringen zijn opgebouwd in die omgeving. Bij alles wat hij overweegt kan hij niet anders dan de sociale context meenemen. Hiermee wordt het individu niet tegenover de gemeenschap geplaatst, maar wordt beschouwd als deelnemer in de gemeenschap. Ook hier dus geen dualistisch model maar een benadering vanuit een samenhang. De mens is niet denkbaar in isolement

Traditionele theorien zoeken naar onveranderlijke morele basisrichtlijnen gerelateerd aan een bepaalde grondslag. Ze gaan daarbij veelal uit van een onveranderlijke werkelijkheid [Scheer 2005 p57]. In tegenstelling daarmee gaat Dewey er vanuit dat elke samenleving een contingente, historisch en cultureel bepaalde set van regels en waarden kent. Hij noemt dat gewoontemoraal. Uitgangspunt is dat die voldoet, met uitzondering van de als probleem ervaren knelpunten.
Morele regels en menselijke natuur staan niet tegenover elkaar zoals wel door moralisten is voorgesteld, waarbij de menselijke natuur zelfs een negatieve connotatie kreeg, maar de morele regels zijn een integraal onderdeel van het functioneren van de mens en de maatschappij. Morele regels die strijdig zijn met de menselijke natuur (wat dat ook moge zijn) zullen niet generaties lang standhouden [Dewey 1922 p19].
De gewoontemoraal is niet gebaseerd op bepaalde uitgangspunten maar is ontstaan en heeft zich evolutionair ontwikkeld om de samenleving werkbaar te houden [Logister 2004 p179]. De regels ontstaan gedeeltelijk zelfs door toeval en gaan, met name wanneer ze talig worden weergegeven, een eigen ontwikkeling in. Zo zullen bijvoorbeeld de ethische aspecten van een gesloten agrarische gemeenschap zich anders ontwikkelen dan die van een op handel gerichte gemeenschap.
Ethische discussie ontstaat doordat er veranderingen optreden door externe invloeden of door interne ontwikkelingen. Wat dan primair nodig is, is niet een discussie over de inhoud maar een acceptatie van een methodiek (reflectieve moraal). Deze methodiek dient als grondslag voor een gestructureerde deliberatie. Gewoontemoralen kunnen met elkaar in strijd zijn. Dit leidt tot de vraag naar preferentie. Het is de taak van de reflectieve moraal of ethiek het zoeken naar een antwoord daarop te ondersteunen. Actief onderzoek moet de plaats innemen van starre doctrines en dogmas.

Ethiek moet dus opgevat worden als een activiteit, een zoektocht naar wat nastrevenswaardig is. Alternatieve handelingen worden afgewogen onder andere ten aanzien van de mogelijke consequenties.  Kenmerkend voor een morele handeling is dus dat zij het resultaat is van een voorafgaande deliberatie. Deze deliberatie veronderstelt natuurlijk een intelligente vrijheid. Het is ook van belang doel, middelen, consequenties, en neveneffecten goed in de analyse mee te nemen.  

Principes
Tijdens het deliberatieproces kan gebruik gemaakt worden van principes. Deze principes ontstaan door bijzondere gevallen, waarin een juiste keuze werd gemaakt en / of door generalisaties. Principes zijn primair intellectueel, terwijl morele regels vanuit de praktijk groeien [Dewey 1932 p336].
Dewey onderscheidt twee soorten:
1. Onveranderlijke principes: deze hebben het contact met de empirie verloren. Hierdoor kunnen ze het denken in nieuwe situaties foutief benvloeden.
2. Principes die rekening houden met de actuele situatie. Deze functioneren als een soort werk- hypothese.
Principes en morele theorien zijn instrumenten om bij te dragen aan het deliberatie proces.
 
Dewey wijst objectieve en subjectieve funderingen af maar houdt vast aan de normativiteit van de ethiek. Absolute antwoorden zijn niet mogelijk. Hierin loopt de ethiek van het pragmatisme parallel met de kennistheorie. De waarde van een concept of een theorie wordt bepaald door te beoordelen of deze doet waarvoor deze bedoeld is. Dat wil zeggen bijdraagt aan de oplossing van het gesignaleerde probleem. Hierbij dienen ook zijeffecten van de oplossingen meegenomen te worden. De waarde wordt dus bepaald door de context. Er kan niet in algemene of abstracte termen gesproken worden over goed en kwaad. Maar daarmee is de benadering nog niet relativistisch. Het is niet zo dat ieder antwoord goed is. Een goede analyse is vereist voor de rechtvaardiging van een antwoord.

Antwoord op Kritiek
De kritiek op Deweys pragmatistische ethiek richt zich veelal op het secondair zijn van algemene normen aan de sociale normen. Als antwoord daarop stelt Dewey dat de gewoonte moraal vooraf ging / gaat aan de rationalisaties in de ethische theorien van de grote filosofen. Voor Dewey spelen rationele principes wel degelijk een rol als principes zoals hierboven aangegeven. Maar ze kunnen en moeten steeds weer opnieuw getoetst worden aan de actuele situatie. Dewey vergelijkt de moraal met zijn eigen dynamiek ook wel met de ontwikkeling van een taal [Logister 2004 p178]. Rorty citeert M. Oakshott
[Rorty 1989 p58] met de opmerking:
Dewey dit had kunnen schrijven:
 

A morality is neither a system of general principles nor a code of rules, but a vernacular language.General principles and even rules may be elicited from it, but (like other grammmars) it is not a creation of the grammarians it is made by the speakers

Uit dit dubbele citaat  blijkt dat die analogie met taal ook door latere pragmatisten wordt onderschreven.

In Deweys Ethiek speelt het begrip praktische intelligentie een belangrijke rol.  Hieronder wordt verstaan  inzicht of begrip dat voortkomt uit ervaring. Deze ervaring leidt tot het vermogen te oordelen, en te handelen volgens dat inzicht. Dit komt in hoge mate overeen met Aristoteles deugd van de Prudentia, verstandigheid, praktische wijsheid.  
Hoewel de kennistheorie en vooral ook het fysisch wereldbeeld van het pragmatisme sterk verschilt van dat van Aristoteles kunnen we constateren dat de basisuitgangspunten van de Mens Maatschappij relatie in hoge mate overeenkomen. Beide beschouwen de mens als een sociaal wezen dat niet denkbaar is zonder zijn sociale omgeving. (zoals in sectie 1.3 hierboven aangegeven). Het element van deliberatie kan gezien worden als een uitwerking van de prudence /  deugd zoals Aristoteles die omschrijft. Het belangrijkste verschil is te vinden in de dynamiek die Dewey vanuit het evolutionair denken (en Hegel) inbrengt.

Na deze beschrijving van de pragmatistische ethiek kunnen we de grondslagen samenvatten zoals in onderstaande tabel weergegeven. Daarbij is het, gezien bovenstaande opmerkingen, interessant de grondslagen van het pragmatisme globaal te vergelijken met die van Aristoteles ethiek

 

Grondslag van de Pragmatistische Ethiek

 

Grondslag van Aristoteles ethiek

1

Uitgangspunt: Natuur en cultuur ontwikkelden en ontwikkelen zich op basis van het evolutiemodel.  

 

Uitgangspunt: alle zijnde streeft naar de
verwerkelijking van zijn natuurlijke aanleg.

2

De moraal ontstaat door het streven van een gemeenschap naar een tot voldoening functionerende werkzame samenleving.

 

De mens streeft naar geluk als
verwezenlijking van zijn natuurlijke aanleg
en dat wordt bereikt door de voldoening
die hij krijgt door voortreffelijk te
functioneren.

3

De wijze waarop de moraal vorm krijgt is plaats en tijd gebonden. De moraal dient steeds weer aangepast te worden aan wijzigingen in inzicht en omstandigheden.

 

De karakterdeugden worden bepaald door het kiezen tussen twee uitersten. Hoe die positie komt te liggen is tijd en situatie afhankelijk.

4

De reflectieve moraal is de methodiek van het deliberatieproces om tot die aanpassingen  van de moraal te komen. Dit vooronderstelt dat er vrijheid is voor een open deliberatie.

 

De Prudentia, de praktische intelligentie is de deugd die nodig is om tot de gedragskeuze te komen die bij het excellente midden past.

Relatie tot andere Filosofische theorien

Opm t.a.v. Kants ethiek
Opgemerkt kan worden dat de veronderstelde voorwaarden voor een deliberatieproces van punt 4 grote overeenkomst vertonen met Kants uitgangspunten van redelijkheid en vrijheid. 
Hoewel deze elementen van Kants uitgangspunten en analyse overeenkomen met het pragmatisme (zoals ook menselijke gelijkwaardigheid) past zijn conclusie dat de intentie belangrijker is dan het praktische resultaat absoluut niet bij het pragmatisme.

Opm. t.a.v. Humes falacity
De conclusie van Hume ought kan niet logisch afgeleid worden  van is is juist binnen de logica. Zoals ook zijn conclusie dat: op basis van het inductieconcept kunnen geen natuurwetten logisch uit waarnemingen worden afgeleid juist was.
Echter in het tijdperk na de moderniteit (postmodernisme heeft soms een specifieke betekenis) geven we het idee van absolute waarheid op. en gaan we over tot een meer methodologische benadering zoals het Kritisch Rationalisme (Popper, Lakatos) in de wetenschapsfilosofie, die daarmee aansluit op de kennisleer van het pragmatisme. Zo kan in de pragmatistische ethiek de is  situatie een rol spelen in de deliberatie omdat de eis van logische afleiding is vervallen.

Opm.: Utilitarisme Dewey constateert dat het Utilitarisme zich voor de onmogelijkheid plaatst de berekeningen uit te voeren om tot beslissingen te komen [Dewey 1922 p36].   

Tenslotte:
Dewey  stelt ook dat elke handeling morele consequenties kan hebben, want die is deel van een totaal gedrag , er is geen hard onderscheid tussen moreel onbelangrijke en moreel significante handelingen. 

Dewey merkt op dat: Een moreel oordeel zegt iets over het karakter van degene die de uitspraak doet. 

In een Deweyaanse analyse kan de vraag naar de adequaatheid van normen en waarden niet los gezien worden van de vraag welk doel we nastreven. Dan zijn 'normen en waarde‘ geen doel maar een middel. De eerste vraag moet zijn: wat beschouwen we als een goede samenleving. 

Het pragmatisme is in wezen niet beperkt tot n positie in de bovenstaande tabel met ethische theorien aangezien wel overwogen incorporeren van de andere theorieën past in het deliberatie proces.  

Filosofietuin       filosofenpaden (in aanleg)